IndexKalenderFAQZoekenGebruikerslijstGebruikersgroepenRegistrerenInloggen

Deel | 
 

 De Stad

Go down 
AuteurBericht
May
Admin
avatar

Aantal berichten : 52

BerichtOnderwerp: De Stad   ma jan 12, 2015 6:25 pm



Yoo peopz!
Voor Nederlands moesten we een imaginair reisverhaal schrijven. Terwijl iedereen kwam met pratende draken en kruisingen tussen giraffen en katten, schreef ik dit.
Ik zou graag je mening over mijn verhaal willen weten en of er nog tips zijn voor mijn schrijfstijl :3

Anyways, veel plezier als je het verhaal gaat lezen en veel plezier met hetgeen wat je gaat doen als je dat niet leest c:

~Cato



De Stad

words: 2270₪ De Stad ₪ ~ ₪ Chris ₪ ~


Twee dagen. Al twee dagen ben ik hier. Opgesloten in een stad. En waarom? Voor het geld, en omdat ik dom ben.

 Ik werd wakker in een doos. Het leek op een vierkante tunnel, waarin ik aan de ene kant tegen het doodlopende gedeelte aan zat. Drie meter voor me zag ik licht naar binnen schijnen. De doos bestond uit melkwit glas waar ik niet doorheen kon kijken. Verschillende vragen schoten door mijn hoofd. Waar was ik? Waarom was ik hier? En misschien wel de belangrijkste: Wie was ik? Op handen en knieën kroop ik naar het licht toe. Toen de zon op mijn gezicht scheen, hoorde ik een meisje snikken. Zoekend keek ik rond en wierp een blik achter me, de doos in. Maar het enige wat ik zag was het glas dat begon te barsten. ‘Vlucht!’ riep ze. Verward keek ik om me heen en zette het op een lopen. Achter me spatte de doos uiteen. Splinters glas sloegen in mijn rug, maar ik negeerde de pijn en sprintte door. Duizend vragen schoten door mijn hoofd, maar ik richtte mijn aandacht op het rennen.
Bij het tweede blok waar ik doorheen kwam besloot ik aan te bellen. In de tijd dat ik hier was had ik nog niemand op straat gezien, maar ik vermoedde dat iedereen binnen was. De straat was netjes en alle huizen leken op elkaar; zandkleurige bakstenen, hetzelfde ontwerp, dezelfde voortuinen met kort gemaaid groen gras, grote stapstenen die naar de voordeur leidden, een stenen fontein en een houten tuinhekje. Ik stapte over het tuinhek heen en liep over de stapstenen naar de voordeur. Ik belde aan. Er kwam geen reactie. Ik belde nog eens. Niets. Na een volle minuut te hebben gewacht liep ik naar het volgende huis, om het daar nog eens te proberen. Maar ook daar had ik geen geluk. Shit. Dit was vreemd. Niet wetend waar iedereen was –waar ík was- en wat ik moest doen, ging ik naar het volgende blok. Mijn blik viel op het hoekhuis, waar één woord in feloranje graffiti letters was geschreven: Vlucht. Wat betekende het?
Na drie huizen wist ik zeker dat er niemand was en besloot ik naar binnen te gaan. De deur zat op slot, dus trok ik mijn T-shirt uit, wikkelde die om mijn hand en sloeg een raam aan de voorkant in. Voorzichtig klom ik naar binnen. Ik stond in een huiskamer die netjes opgeruimd en ruim ingedeeld was. Er stonden bijna geen meubels, maar het voelde niet kaal aan. Was mijn huis vroeger ook zo geweest? Maar dit was anders. Een ongemakkelijk gevoel bekroop me. Dit klopte niet. Natuurlijk was er iets goed mis als ik de enige persoon in een hele stad was, aangekomen in een ontploffende glazen doos. Maar er was nog iets anders. De huizen waren te netjes; geen geluiden die je meestal in een huis hoort of ook maar één stofje op de grond.
Ik besloot het huis te verkennen. De benedenverdieping bestond uit een woonkamer, een keuken met aangrenzend de eetkamer en een toilet. De tweede verdieping had een badkamer met stromend water, een slaapkamer met tweepersoons bed, een logeerkamer en een inloopkast. Waarschijnlijk was er ook een zolder, maar er liep geen trap nog verder naar boven en ik kon nergens een luik vinden. In de slaapkamer stond een boekenkast en hoewel ik me er niet toe aangetrokken voelde, dacht ik dat het wel handig was om even te kijken wat er in stond. Achteraf was dat de slimste zet die ik in deze twee dagen heb gedaan. De kast stelde niet veel voor en telde hooguit twintig boeken. Maar de titels van de boeken waren wel heel interessant. Nieuwsgierig pakte ik de boeken Chris Evans, De Stad en Het Bestuur.
Chris, die naam kwam me bekend voor. Ik liep naar beneden, plofte op de bank en begon te lezen. Na drie alinea’s over het leven van Chris voelde het alsof ik een bak ijswater over mijn hoofd had gekieperd toen ik het besefte. Ik ben Chris Evans. Dat was mijn leven. Ik las verder, over hoe ik was opgevoed in het armste gedeelte van de stad, door mijn moeder en zus. Dat ik nog drie andere broertjes had en verplicht het leger in moest toen ik dertien was. Hoe ik er na zes maanden uit werd gegooid omdat ze niets met mij konden beginnen, om in het daarop volgende jaar in de problemen te geraken met foute vrienden. Uit wanhoop en geldnood had ik me aangemeld voor de Stad. Wat was de Stad? Bevond ik me daar nu in? Snel bladerde ik verder door ‘mijn leven’. Ongeveer op de helft werden de pagina’s blanco.  Het volgende boek wat ik pakte was De Stad. Mijn concentratie om te lezen had ik bijna helemaal verspild om meer over mezelf te weten te komen, maar toch lukte het me om de eerste twee hoofdstukken met informatie over dit oord door te komen.
 Heel kort gezegd is deze plaats een simulatiewereld. Het is een stad waar jongeren moeten overleven. Al mijn acties worden gefilmd en in een televisieprogramma gepropt. Als ik dit alles overleef krijg ik geld. Wanneer mensen mij leuk vinden, kunnen ze geld aan de makers doneren en krijg ik de helft. Als ik dood ga heb ik pech.
Ik voelde me hongerig en moe, dus ik besloot een kijkje in de keuken te nemen. Ik had blij moeten zijn met het feit dat er voedsel was, maar dat was moeilijk. De voedselvoorraad bestond voornamelijk uit vieze groentedrab in potjes en beschimmeld brood. Voorzichtig pakte ik een potje met blauwe drab en draaide het deksel eraf. De stank die van het potje af kwam liet me kokhalzen en snel zette ik het terug. Oké, geen eten vanavond. Ik liep naar boven en liet me vallen op het grote bed. Mijn ogen begonnen dicht te zakken toen iets me te binnen schoot. Maar die gedachte ging vrijwel meteen verloren toen ik wegzakte in mijn slaap.
Met een schok werd ik wakker. Een paar seconden vroeg ik me af waar ik in hemelsnaam was, maar toen realiseerde ik het me. Een schreeuw. Het was een schreeuw die door merg en been ging, vervuld met doodsangst. Het bezorgde me kippenvel over heel mijn lichaam. Toen de schreeuw was opgehouden, viel me nog een ander geluid op. Van beneden hoorde ik een zachte ruis. Nieuwsgierig stond ik op en stommelde de trap af. In de hoek van de woonkamer stond een tv. Het beeld was gevuld met ruis en op de tv… Op de tv was met bloed geschreven. Eén woord: Vlucht. Ik moest hier weg. Het was midden in de nacht en ik had geen idee wat er buiten op me wachtte. Ik sprong door het kapotte raam de straat op. Binnen had ik niet zo veel last gehad van de wind, maar buiten waaide die zo door mijn dunne kleding heen. Ik draaide me om en sprintte het huis weer in. Alles in me schreeuwde dat ik zo snel mogelijk weg moest, maar het leek me verstandig om dat te doen met warmere kleding. Zoals ik al had gedacht hing de inloopkast vol met kleding. Ik rukte de deuren open en kreeg bijna een hartverzakking. In de kast lag iemand. Iemand die met lege ogen naar me staarde. Dood. Zo snel als ik kon sloot ik de deuren en vluchtte het huis uit. Wat was dit voor zieke plaats? In ieder donker hoekje leken wel dode mensen te liggen, maar het kon ook gewoon mijn verbeelding zijn. Ik moest een uitweg vinden. Mijn hersenen werkten minstens even hard als mijn benen. Wat was een hoog punt van waar ik de hele stad kon overzien? Waren flatgebouwen hoog genoeg? Vijf blokken hier vandaan rezen  hoge betonnen blokken op met kleine raampjes, die waarschijnlijk voor een flatgebouw door moesten gaan.
Het duurde een halve nacht en 468 traptreden om boven op een flatcomplex te komen. Ik had blij moeten zijn dat ik er was, maar hetgeen wat ik zag maakte me alleen maar ongerust. Overal waar ik keek was stad. Zo ver als het oog reikte. Ik kreunde en zakte op mijn knieën. Mijn rug brandde en mijn spieren waren duidelijk niet gewend aan zo veel rennen. Ik was moedeloos, hongerig en moe. Langzaam krulde ik me op en ging liggen. Fut om het flatgebouw in te gaan had ik niet en het liefst was ik gewoon in slaap gevallen, om vervolgens nooit meer wakker te worden.

Ik word wakker met het gevoel dat iets vies en slijmerigs over me heen is gekropen. Als ik mijn ogen open zie ik dat dat waarschijnlijk ook het geval was. Verschrikt sta ik op, probeer mijn handen aan mijn kleding af te vegen en deins achteruit als ik zie dat het slijmwezen drie meter voor me staat. Eerst denk ik dat het een mens is, maar als ik beter kijk zie ik aan de ziekelijk bleke kleur van zijn huid, de kleine slangen die zich voor doen als haar en de persoon onder kwijlen met slijm, de verticale pupillen en de klauwachtige handen dat dit ding absoluut niet menselijk is. Het wezen staat daar maar, starend naar een punt vlak naast mijn schouder. Voorzichtig zet ik een stap achteruit. Misschien is dit het ding wat al die mensen heeft vermoord. Het wezen beweegt niet. Ik zet nog een stap. Hopelijk kan ik de trap bereiken voordat het beweegt. Maar nee, ijdele hoop. Het slijmwezen maakt een rochelend geluid. ‘Vlucht.’ De stem van het meisje. Ik krijg kippenvel over heel mijn lichaam. ‘Chris,’ zegt het ding met een robotstem. ‘Luister.’ Het klinkt als een oude man. Wat wil het? Waarom moet ik luisteren? Ik deins nog verder achteruit. ‘Nee.’ Gefluister dit keer. ‘Wat moet je van me?’ roep ik, proberend niet te angstig te klinken. Het enige wat ik wil is weg uit deze stad. ‘Hulp.’ De stem van een jongen. Hulp? Moet ik dat ding hélpen? Het kan natuurlijk ook nog dat het mij wil gaan helpen, maar als ik aan alles in deze wereld denk, lijkt me dat heel onlogisch. ‘Serieus, ik weet niet waar je het over hebt. Blijf uit mijn buurt,’ antwoord ik. Het ding komt naar me toe. Dit is niet de bedoeling. ‘Blijf daar!’ roep ik met overslaande stem. Het laatste wat ik wil is dat ding bij mij in de buurt. Hoe stop ik in hemelsnaam deze simulatie? Het wezen blijft naar me toe strompelen. Onze blikken kruisen. ‘Ga weg! Ik waarschuw je, ik ben bewapend!’ roep ik in paniek. Maar ik heb geen wapens. En dat ding weet dat ik geen wapens heb. No way dat ik het met mijn blote handen te lijf ga, schiet het door mijn hoofd.  Maar er zit niet veel anders op als het naar me toe blijft komen. ‘Vlucht –vlucht – vlucht.’ Drie verschillende stemmen. Ik ren naar de deur, geef er een ruk aan en kom tot de conclusie dat hij op slot zit. Oké, dit gaat helemaal verkeerd. ‘Wat is dit voor ziek spel?’ roep ik. Het ding antwoordt niet. Dit is waanzin. Ik zit in één of andere stomme simulatie, waarin ik in een stad ben gedumpt, de schrik op het lijf gejaagd en opgesloten op het dak van een flatgebouw met één of andere kwijlende malloot die te veel stemmen heeft. In een flits schiet het door mijn hoofd om gewoon van het gebouw af te springen. Maar dat kan ik mijn moeder, zus en broertjes niet aandoen. Ik heb dit over mezelf afgeroepen en ik ga er levend uit komen. Als ik naar het ding opkijk zie ik dat het is gestopt met lopen. Maar in plaats daarvan heeft het een pistool in zijn hand, gericht op mijn hoofd. ‘Wat…?!’ ‘Ik zit hier al drie maanden, afgesloten van de rest,’ zegt het ding. Ieder woord wordt in een andere stem gesproken. De rest? Zijn er meer mensen? Zijn er meer van dat soort dingen? ‘Mijn taak is om iedereen te doden die zich in mijn domein begeeft,’ gaat het verder. ‘Maar het was helemaal niet mijn bedoeling om in jouw domein te komen!’ roep ik, al weet ik zeker dat het niets uit maakt. ‘Zijn er meer? Meer mensen of…’ Ik durf het niet te beledigen door ‘dingen’ te zeggen. Er komt geen reactie. Maar ik denk dat ik de meeste kans maak als ik het aan het praten houd. ‘Deze stad is oneindig. Wat is precies ‘jouw domein’?’ Het ding komt weer op me af. Dit gaat niet goed. De pistoolhand trilt hevig en het wezen richt nu op mijn buik. ‘Ho. Stop. Wacht even. Waarom moet je me precies doden? Wie heeft dat gezegd?’ Ik probeer zo veel mogelijk medeleven in mijn stem te leggen, maar het klinkt heel vreemd in mijn oren. Mijn hersenen zijn hard aan het werk om de beste ontsnappingsroute te bedenken. De ene na de andere schiet door mijn hoofd, maar ik verwerp ze allemaal meteen weer. Waarschijnlijk maak ik de meeste kans om te overleven als ik probeer weg te komen. Ik kijk om me heen. Een tweede flatgebouw staat vijf meter van me vandaan. Misschien, heel misschien, gaat het me lukken met een aanloop. Ik richt mijn aandacht weer op het ding. ‘Wat is er mis met een beetje uitleg voor ik sterf?’ vraag ik onverschillig. Het ding spuugt op de grond. Ik loop langzaam langs hem heen en draai me dan plotseling om. Zo hard ik kan ren ik op het andere gebouw af. Als ik bij de rand ben gekomen spring ik. En val.







Terug naar boven Go down
Profiel bekijken http://newhope.actieforum.com/forum
 
De Stad
Terug naar boven 
Pagina 1 van 1

Permissies van dit forum:Je mag geen reacties plaatsen in dit subforum
 :: Verhalen :: Fantasy-
Ga naar: